Naar de inhoud

Welke lichten voer je 's nachts op een klein schip?

Drie toegestane combinaties voor een motorboot, een aparte regeling voor zeilschepen, en één veelgemaakte fout: motor bijzetten verandert je verlichting.

Laurens Leeuwenberg · Docent Klein Vaarbewijs, oprichter Vaarbewijsinstituut

Bijgewerkt 4 augustus 20263 min lezen

Kort antwoord: een klein motorschip voert boordlichten (groen aan stuurboord, rood aan bakboord) plus een toplicht en een heklicht — of, als variant, boordlichten met één rondom schijnend wit licht erboven. Een klein zeilschip vanaf 7 meter voert boordlichten en een heklicht, eventueel verenigd in een driekleurenlantaarn in de mast.

Wanneer verlichting verplicht is

Tussen zonsondergang en zonsopgang, én overdag bij slecht zicht. Mist en zware buien tellen dus mee, ook om twee uur 's middags.

De lichten en hun bereik

  • Toplicht — wit, schijnt 225° naar voren, afgeschermd naar achteren, in de lengteas. Alleen op motorschepen; een zeilschip voert nooit een toplicht.
  • Boordlichten — groen aan stuurboord, rood aan bakboord, elk 112,5°.
  • Heklicht — wit, 135° naar achteren.

Daarmee kun je uit de lichten van een ander schip aflezen waar het heen gaat. Zie je links groen en rechts rood, dan komt het recht op je af. Zie je alleen rood, dan kijk je tegen de bakboordzijde aan en beweegt het schip van jou uit gezien naar links.

De drie combinaties voor een klein motorschip

  1. Toplicht op dezelfde hoogte als de boordlichten en minstens 1 meter ervóór, plus boordlichten en een heklicht.
  2. Toplicht minstens 1 meter hóger dan de boordlichten, plus boordlichten en een heklicht. De boordlichten mogen dan naast elkaar of in één lantaarn aan de boeg zitten.
  3. Eén rondom schijnend wit licht, minstens 1 meter hoger dan de boordlichten, in plaats van toplicht én heklicht — plus boordlichten.

Uitzondering: een klein open motorschip korter dan 7 meter dat niet harder kan dan 13 km/u mag volstaan met één rondom schijnend wit licht.

Zeilschepen

  • Korter dan 7 meter: één rondom schijnend wit licht is genoeg. Nadert een ander schip en dreigt gevaar, dan toon je een tweede wit licht om de aandacht te trekken — een zaklamp of telefoonlamp mag.
  • Vanaf 7 meter: boordlichten en een heklicht. Die mogen samen in één driekleurenlantaarn in of nabij de masttop.
  • Vanaf 20 meter — een groot zeilschip — mag géén driekleurenlantaarn voeren. Het voert de lichten afzonderlijk, plus in de mast een rondom schijnend rood licht met daaronder een groen, minstens 1 meter uit elkaar.

De fout die het vaakst gemaakt wordt

Een zeilschip dat de motor bijzet — ook met de zeilen nog op — is wettelijk een klein motorschip en moet de verlichting van een motorschip voeren. De driekleurenlantaarn in de top mag dan niet meer aan; er hoort een toplicht bij. Wie de motor start om een sluis in te varen en de mastlantaarn laat branden, vaart met de verkeerde verlichting.

Bijzondere situaties

  • Roeiboot of ander schip op spierkracht: één rondom schijnend wit licht.
  • Klein schip dat gesleept of langszij meegevoerd wordt: één rondom schijnend wit licht.
  • Voor anker 's nachts: navigatielichten uit, één rondom schijnend wit ankerlicht aan. Een groot schip voert er twee, waarvan de voorste hoger — zodat je weet aan welke kant het anker ligt.

Wat je van anderen ziet

Een vissend vissersschip voert boven de boordlichten een groen rondom schijnend licht met daaronder een wit. Een veerpont voert diezelfde twee lichten; een vrij varende veerpont voert daarnaast boordlichten en heklicht. 's Nachts zijn een vrij varende veerpont en een vissend vissersschip niet uit elkaar te houden — maar op kanalen, rivieren en kleine meren kom je alleen veerponten tegen, en vissersschepen alleen op ruim water.

Meer over die tekens staat in de tekens van andere schepen. Bij slecht zicht komen er verplichtingen bij: zie varen bij slecht zicht. Lichtenbeelden herkennen oefen je het snelst met afbeeldingen; die staan in les 1 en 2 van de cursus Klein Vaarbewijs 1.

Aanloop

Deze stof zit in het examen

De cursus Klein Vaarbewijs 1 behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden.