Naar de inhoud

Opleiding voor 3 CBR-examens op het water

Cardinale betonning: de kegels wijzen naar het veilige water

Twee zwarte kegels vertellen je aan welke kant van een wrak of plaat je veilig langs kunt. Eén regel dekt alle vier de vormen, en de klok dekt de nacht.

Redactie Vaarbewijsinstituut · Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen

Bijgewerkt 19 augustus 20263 min lezen

Een cardinale ton markeert een afzonderlijk gevaar en zegt aan welke kant je er veilig omheen kunt: ten noorden, oosten, zuiden of westen ervan. Anders dan laterale tonnen begrenzen ze geen vaarwater, ze wijzen om iets heen. Je hebt er dus een kompas bij nodig; zonder windrichting zegt zo'n ton niets.

Eén regel dekt alle vier

De zwarte band zit daar waar de punten van de kegels naartoe wijzen. Meer hoef je niet te onthouden, de rest volgt eruit.

TonToptekensZwarte bandVeilig water
Noordbeide kegels met de punt omhoogbovenaanten noorden van de ton
Oostbovenste omhoog, onderste omlaag (een O)boven én onderten oosten van de ton
Zuidbeide kegels met de punt omlaagonderaanten zuiden van de ton
Westpunten naar elkaar toe (een wijnglas)in het middenten westen van de ton

Voor de twee middelste helpen twee beelden: bij de oostton vormen de kegels samen een O, bij de westton een wijnglas: W van west, en een wijnglas is smal in het midden, net als de band.

De strikvraag

Een cardinale ton geeft de veilige kant aan, niet de plek van het gevaar. Bij een noordton ligt het veilige water dus ten noorden en het wrak of de plaat ten zuiden van de ton. Vraagt het examen waar het gevaar ligt, dan is het antwoord altijd de tegenovergestelde windrichting van wat de ton heet. Deze omkering kost meer punten dan het hele systeem eromheen.

's Nachts telt de klok

Zet de vier richtingen op een wijzerplaat: noord op twaalf uur, oost op drie, zuid op zes, west op negen. Het aantal flikkeringen volgt die stand.

  • Noord (onafgebroken snel flikkerlicht, op de kaart Q of VQ.
  • Oost) groepen van drie flikkeringen, bijvoorbeeld VQ(3) 5s.
  • Zuid: groepen van zes, gevolgd door één lange schittering: VQ(6) + LFl 10s. Die lange schittering bestaat juist om zuid van oost te onderscheiden als je de tel kwijtraakt.
  • West: groepen van negen, bijvoorbeeld VQ(9) 10s.

Q staat voor quick, VQ voor very quick: honderd tot honderdtwintig flikkeringen per minuut. Het getal achter de s is de periode waarin het patroon zich herhaalt.

Twee markeringen die erop lijken maar iets anders zeggen

Veilig vaarwater. Een rood-wit verticaal gestreepte ton, ook wel verkenningston of middenvaarwaterboei. Daar kun je rondom veilig langs; hij markeert het midden of de aanloop van een vaarwater. Hij heeft nooit een topteken, een radarreflector of zonnepaneel telt daarbij niet mee.

Afzonderlijk gevaar. Een zwart-rood gestreepte markering ligt bóven het obstakel, bijvoorbeeld op een wrak of een betonblok. Daar vaar je op ruime afstand langs, ongeacht de windrichting.

Waar je ze tegenkomt

Vooral op ruim water: IJsselmeer, Markermeer, de Zeeuwse stromen, de Waddenzee. Maar ook binnendijks duiken ze op waar iets onder water doorloopt, bij havenwerken in een stad bijvoorbeeld.

Het andere systeem, dat het vaarwater zelf begrenst, staat in laterale betonning. In de opleiding Klein Vaarbewijs 1 oefen je beide met beeldvragen zoals ze op het examen voorkomen.

Aanloop

Deze stof zit in het examen

De opleiding behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden. Twaalf maanden toegang, eenmalig te betalen.