Zes van de zeven reglementen horen bij een gebied dat je kunt aanwijzen
Je vaart op een kanaal in Overijssel, ziet nergens een bord, en vraagt je af welke regels hier eigenlijk gelden. Op het examen Klein Vaarbewijs 1 komen zeven reglementen langs: BPR, RPR, BVA, SRE, SRW, SRKGT en SRGM. Wie die rij voor het eerst ziet, ziet een middag stampen voor zich.
Dat hoeft niet. Zes van de zeven horen namelijk bij een gebied dat je op een kaart kunt aanwijzen. Alles daarbuiten valt onder de zevende, en dat is verreweg het meeste water waarop je ooit zult varen.
De regel: op Nederlands vaarwater geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR), tenzij je in een van zes aangewezen gebieden vaart.
De rest is die zes gebieden leren aanwijzen.
Deel 1 van 3 · even ophalen
01 / 1
U vaart op een Nederlands kanaal dat niet in een van de zes aangewezen gebieden ligt.
Welk reglement geldt daar?
De zes bestaan omdat Nederland er niet alleen over gaat
Ze hebben één ding gemeen. Op geen van de zes is Nederland de enige die er iets over te zeggen heeft. Vijf ervan vallen onder een verdrag met andere landen, en het zesde, de zee, valt onder regels die overal ter wereld hetzelfde zijn.
Dat is de reden dat ze bestaan. Water waarover meerdere landen afspraken hebben gemaakt, kan geen reglement hebben dat één land in zijn eentje vaststelt. En het is meteen de manier om ze te onthouden. Zes losse afkortingen vallen daarmee uiteen in vier groepjes: één Rijnreglement, één met Duitsland, drie die met België te maken hebben, en één voor de zee.
Let op wat dit níét is: een regel over grenzen. Het RPR loopt tot ver in Zuid-Holland door, ruim honderd kilometer bij de Duitse grens vandaan. Wat het gebied bepaalt is de afspraak, niet de landkaart.
Het RPR geldt op vijf genoemde rivieren, niet op "de grote rivieren"
Het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) geldt in Nederland op vijf wateren: de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek. Die vijf loont het uit je hoofd te kennen, want het examen vraagt er rechtstreeks naar. Vijf, en geen zesde.
Hier zit de valkuil die op dit onderwerp de meeste punten kost. Mensen onthouden het RPR als het reglement van de grote rivieren, en dat is fout. De Maas is een grote rivier en valt onder het BPR. De Geldersche IJssel ook.
Het BPR zegt dat zelf. Artikel 6.05 daarvan gaat over tegemoetkomend verkeer. Het opent met de mededeling dat dit artikel slechts van toepassing is op de Geldersche IJssel vanaf de IJsselkop en op de Maas. Het BPR schrijft dus regels vóór die twee rivieren, en dat doet een reglement niet voor water waar het niet geldt.

Vijf van de zes liggen tegen Duitsland of tegen België aan
In het noordoosten ligt de Eemsmonding: de Eems en de Dollard, tegen Duitsland aan. Daar geldt het Scheepvaartreglement Eemsmonding (SRE), en wel aan beide kanten van het gebied. Zo hoeft een schipper niet te weten in welk land hij vaart om te weten welke regels gelden.
In het zuiden liggen er drie, en alle drie hebben ze met België te maken:
- Op de Westerschelde geldt het Scheepvaartreglement Westerschelde (SRW). Dat is de vaarweg waarover de zeeschepen naar Antwerpen gaan.
- Op het Nederlandse deel van het kanaal tussen Terneuzen en Gent geldt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen (SRKGT).
- Op het stuk Maas in Zuid-Limburg dat de grens met België vormt, geldt het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas (SRGM). Let op het woord gemeenschappelijke: het gaat om precies dát stuk.
De Gemeenschappelijke Maas laat het scherpst zien hoe dit werkt. Dezelfde rivier valt over het grootste deel van zijn loop onder het BPR, en op het stuk waar hij de grens vormt onder een eigen reglement. Niet de rivier bepaalt het reglement, maar de plek.

Op zee gelden regels die in elk land dezelfde zijn
Het zesde gebied is de zee. Daar gelden de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (BVA): internationale regels, in elk land dezelfde.
Waar de zee begint, is geen kwestie van hoe het water eruitziet. Het is een lijn, en die staat in het besluit dat het BPR vaststelt. Het BPR geldt overal behalve op "de zeewaarts van de in het tweede lid vermelde lijn gelegen wateren". Die lijn loopt langs de kust:
- Hij loopt bóven de Waddeneilanden, over de noordpunten van Rottumeroog, Rottumerplaat en Schiermonnikoog.
- Daarna volgt hij de kust van Noord- en Zuid-Holland. De hoofden van IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland liggen erbinnen.
- Verder naar het zuiden loopt hij telkens langs de zeezijde van de deltadammen.
Alles landwaarts van die lijn is BPR-water. Dus ook de Waddenzee, de Nieuwe Waterweg en de zeehavenmonden. Die staan alle drie in open verbinding met zee, en er kan een zeeschip komen. "Open verbinding met zee" is dus niet de maatstaf. Het is de bekendste val bij deze vraag, en je komt hem verderop nog twee keer tegen.
De BVA zeggen dat trouwens zelf. Zij verzetten zich er niet tegen dat een land eigen voorschriften geeft voor havens, rivieren en binnenwateren. Dat geldt uitdrukkelijk ook als die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen. Precies dat doet Nederland met het BPR.
De gedachte achter een apart zeereglement is dezelfde als bij de vijf verdragswateren. Buiten de lijn kun je een schip tegenkomen dat rechtstreeks van zee komt en nooit een Nederlands reglement heeft ingezien. Volgen jullie dan verschillende voorrangsregels, dan klopt er van geen van beide iets.
Deel 2 van 3 · even ophalen
01 / 1
Op hoeveel Nederlandse wateren geldt het Rijnvaartpolitiereglement (RPR), en zijn die met name genoemd?
Eén vraag bij elke overgang vervangt de hele lijst
Je hoeft de zes gebieden niet paraat te hebben terwijl je vaart. Je hebt één vraag nodig. Je stelt hem op het moment dat je van het ene water in het andere komt: bij een sluis, bij een splitsing, of waar een kanaal in een rivier uitkomt.
Verlaat ik hier BPR-water?
Negen van de tien keer is het antwoord nee en verandert er niets. Juist daarom werkt de vraag: hij kost bijna nooit iets, en hij valt samen met de plekken waar het misgaat.

Een voorbeeld. Je komt bij Lobith Nederland binnen en vaart door naar Zutphen.
- Bij Lobith vaar je op de Boven-Rijn. Die staat in het rijtje van vijf: RPR.
- Bij de eerste splitsing neem je de rechtertak, het Pannerdensch Kanaal. Ook in het rijtje: nog steeds RPR.
- Even verderop splitst het opnieuw, bij de IJsselkop. Daar ga je de Geldersche IJssel op, en die staat er níét in. Vanaf dat punt vaar je onder het BPR.
Eén tocht, één overgang, en die zat op een plek die je kon zien aankomen. Merk ook op wat er níét gebeurde: je bent nergens van de rivier af gegaan, er stond geen bord, en toch veranderde het reglement.
En een tweede tocht, om te laten zien hoe vaak het antwoord "er verandert niets" is. Van Amsterdam over het Markermeer en het IJsselmeer naar Lemmer, en verder de Friese meren op: BPR, van de eerste tot de laatste meter. Geen van de zes gebieden ligt op die route.
Zo is het op de meeste tochten. De zes uitzonderingen zijn niet zes dingen waar je voortdurend op moet letten, maar zes gebieden die je herkent wanneer je er komt.
Haal het nu op, zonder terug te scrollen
Beantwoord deze drie in je hoofd:
- Welke vijf Nederlandse wateren vallen onder het RPR?
- Onder welk reglement valt de Maas bij Grave?
- Welke vraag stel je bij een sluis of een splitsing?
Wat je nu niet wist, weet je zo meteen wel.