Waarom er voor het vaarbewijs geen praktijkexamen bestaat
Je hoeft niet aan te tonen dat je kunt afmeren. Dat is een bewuste keuze van de wetgever, en die keuze verklaart precies waar de examenvragen wél over gaan.
Redactie Vaarbewijsinstituut · Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen
Bijgewerkt 19 augustus 20262 min lezen
Voor het Klein Vaarbewijs 1 en 2 bestaat geen praktijkexamen. Je hoeft niet aan te tonen dat je kunt afmeren, keren of aanleggen, en er komt geen examinator bij je aan boord. Alleen voor het Groot Pleziervaartbewijs en de beroepsvaartbewijzen hoort er wél een praktijkdeel bij.
Waarom dat zo geregeld is
Het is geen vergeten hoofdstuk maar een keuze, en die keuze is te herleiden tot de ongevalscijfers. Op het binnenwater zijn de meeste aanvaringen en bijna-aanvaringen terug te voeren op een verkeerde inschatting (wie moest wijken, hoe hard mocht ik hier, wat betekende dat licht) en niet op onhandig sturen. Wie een boot slecht bedient, beschadigt meestal zijn eigen gelakte gangboord. Wie de voorrangsregels niet kent, komt onder een duwbak.
Het examen richt zich daarom volledig op beoordelen: welke situatie zie ik, welke regel geldt hier, wat is de juiste handeling. Dat is ook de reden dat een cursus voor dit examen niet over varen kan gaan.
Waar wél een praktijkexamen bij hoort
- Groot Pleziervaartbewijs, voor pleziervaartuigen van vijfentwintig tot veertig meter. Theorie op het niveau van het Groot Vaarbewijs, met een praktijkexamen bij het CBR.
- Beperkt Groot Vaarbewijs: voor bedrijfsmatig gebruikte schepen van twintig tot veertig meter, met praktijk- en theorie-examen plus drie jaar aantoonbare vaartijd.
- Groot Vaarbewijs: beroepsvaart, met simulator- en theorie-examen en drie keer 180 vaardagen in een afgestempeld dienstboekje.
Dus je mag zonder een dag ervaring de boot in?
Wettelijk wel. Verstandig niet. Het examen geeft je de regels, geen gevoel voor hoe tien ton staal reageert als je gas terugneemt, hoe een boot met wind dwars van de steiger wegzet, of hoe hard het water in een schutkolk trekt. Een paar uur meevaren met iemand die het kan, of één praktijkles, is het verstandigste wat je naast de theorie doet.
Vier onderwerpen waar theorie en praktijk het dichtst bij elkaar liggen, en die je dus als eerste zou willen oefenen:
- schutten in een sluis;
- afmeren met wind of stroom dwars;
- achteruitvaren en het schroefeffect;
- iemand overboord terughalen.
Het theorie-examen zelf
Veertig vragen, zestig minuten, zesenvijftig van de tachtig punten. Zie het examen van binnenuit en hoe je reserveert. Voorbereiden kan met de opleiding Klein Vaarbewijs 1.
Onderwerpen
Begin hier
Nog niet zeker van de basis? Lees eerst vijftien meter en twintig kilometer per uur.
Verder lezen
- Is Vaarbewijs 2 moeilijker dan 1? Het is vooral iets andersDeel 1 is onthouden, deel 2 is uitrekenen. Wie het lastig vindt struikelt zelden over de theorie, maar over koersen, getij en het werken met kaart en passer.
- Vaarbewijs 1 en 2 achter elkaar: wanneer dat loontAchter elkaar leren scheelt opstarten. Het verdubbelt ook de stof, en het zijn twee verschillende soorten stof. Dat maakt de afweging minder vanzelfsprekend dan hij lijkt.
- Vaarbewijs 1 of 2: je vaargebied beslist, niet je bootZeven wateren in Nederland vragen om het tweede vaarbewijs. Op alle andere volstaat het eerste, en die scheiding heeft niets met de grootte van je schip te maken.
Aanloop
Deze stof zit in het examen
De opleiding behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden. Twaalf maanden toegang, eenmalig te betalen.