Naar de inhoud

Opleiding voor 3 CBR-examens op het water

Afmeren met wind dwars: één lijn doet meer dan drie man

Bij aanleggen wint techniek het van kracht. Eén lijn op het goede punt doet meer dan drie bemanningsleden die met hun voeten afzetten.

Redactie Vaarbewijsinstituut · Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen

Bijgewerkt 19 augustus 20262 min lezen

Waait de wind ván de kant af, dan heet die kant hogerwal en werkt een gewone voortros niet: je schip waait telkens weg. Waait de wind náár de kant toe, dan is het lagerwal en hoef je vrijwel niets te doen behalve op tijd stoppen. Twee situaties, twee volstrekt verschillende technieken.

Hogerwal: de spring doet het werk

  1. Hang de stootwillen tijdig en op de juiste hoogte.
  2. Breng het schip met de boeg vlak voor de kant tot stilstand.
  3. Leg de voorspring om een bolder of paal en beleg de lijn aan boord.
  4. Geef roer naar de kant af en laat de motor zachtjes vooruit draaien. Alle spanning komt op de voorspring en het achterschip scharniert naar de wal.
  5. Laat de motor zacht doordraaien terwijl je de overige landvasten vastmaakt.

Dit werkt door het koppel: hoe groter de afstand tussen de schroef en het punt waar de spring aangrijpt, hoe sterker het effect. Zijn er weinig bolders en wordt de lijn erg lang, leg hem dan vast aan de wal-zijde van het voorschip, dan draait de boeg minder snel weg.

Vaar je alleen, dan is een middenspring praktischer: het voorschip draait iets minder ver weg en je hoeft niet vooruit over het dek. Het achterschip komt wel wat minder strak tegen de wal.

Lagerwal: laat het gebeuren

Leg je schip op korte afstand evenwijdig aan de plek waar je wilt liggen en laat het dwars afdrijven. De boeg waait sneller weg dan het achterschip, dat door de grotere diepgang meer weerstand geeft, corrigeer dat met korte stootjes vooruit en achteruit zodat je evenwijdig blijft.

De valkuil hier is te veel snelheid. De wind zet je toch wel tegen de kant; reken erop dat de laatste meters vanzelf gaan en houd de stootwillen op de goede hoogte.

Stroom weegt zwaarder dan wind

Op een rivier leg je in principe altijd tegen de stroom in aan. Tegen de stroom in houd je stuurdruk bij lage snelheid over de grond; met de stroom mee heb je geen rem meer. Loopt er wind én stroom, dan is de stroom bijna altijd de sterkste van de twee, stem je aanpak daarop af en niet op de windvaan.

Wat het aan boord scheelt

  • Spreek vooraf af wie welke lijn pakt en wat er als eerste vast moet.
  • Laat niemand van boord springen. Een lijn over een bolder is genoeg; een gebroken enkel is dat niet.
  • Bepaal het aangrijppunt van tevoren: springen doen mensen goed, springlijnen leggen niet.
  • Kom aan met de snelheid waarmee je bereid bent iets te raken.

Achteruit manoeuvreren gaat anders dan vooruit; zie schroefeffect en boegschroef. In een sluis gelden eigen gewoonten: zie door een sluis. Voorspring, middenspring en hoger- en lagerwal worden op het examen getekend gevraagd en staan in les 8 van de opleiding Klein Vaarbewijs 1.

Aanloop

Deze stof zit in het examen

De opleiding behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden. Twaalf maanden toegang, eenmalig te betalen.