De geluidsseinen die je echt moet kennen
Een geluidssein geef je niet uit beleefdheid maar om een aanvaring te voorkomen. Voor een klein schip zijn er drie die je echt moet kunnen geven.
Laurens Leeuwenberg · Docent Klein Vaarbewijs, oprichter Vaarbewijsinstituut
Bijgewerkt 4 augustus 20263 min lezen
Kort antwoord: een korte stoot duurt ongeveer een seconde, een lange ongeveer vier. Eén korte stoot betekent "ik ga stuurboord uit", twee korte "ik ga bakboord uit", drie korte "ik sla achteruit", vier korte "ik kan niet manoeuvreren". Eén lange stoot is het attentiesein en herhaalde lange stoten zijn het noodsein.
De algemene seinen
| Sein | Betekenis |
|---|---|
| één korte stoot | ik ga stuurboord uit |
| twee korte stoten | ik ga bakboord uit |
| drie korte stoten | ik sla achteruit |
| vier korte stoten | ik kan niet manoeuvreren |
| één lange stoot | attentiesein |
| herhaalde lange stoten | noodsein |
| reeks zeer korte stoten | gevaar voor aanvaring |
| lang – kort – lang | verzoek een brug of sluis te bedienen |
Tijdsduur: een korte stoot is ongeveer 1 seconde, een lange ongeveer 4. Een zeer korte stoot duurt een kwart seconde; een reeks daarvan bestaat uit minstens zes stoten en duurt bij elkaar ongeveer 4 seconden.
De drie die een klein schip moet kunnen geven
Kleine schepen hoeven niet alle seinen te kunnen geven, maar deze drie wel:
- het attentiesein — één lange stoot, bijvoorbeeld bij een onoverzichtelijke bocht of een engte;
- "ik kan niet manoeuvreren" — vier korte stoten, bij motorpech of een defect roer;
- het noodsein — herhaalde lange stoten, alleen bij brand, zinken of iemand overboord.
Wanneer je een sein geeft — en wanneer niet
Een geluidssein is bedoeld om een gevaarlijke situatie te voorkomen, niet om aan te kondigen dat je gaat sturen. Kijk eerst rondom en vooral achterom. Kan de manoeuvre veilig, dan hoeft er geen sein. Vaart er niemand achter je, dan geef je geen drie korte stoten omdat je achteruitslaat.
Hetzelfde geldt voor bruggen en sluizen: de brugwachter ziet je meestal al. Lang–kort–lang toeteren omdat het langer duurt dan je hoopte, wordt gelezen als ongeduld en niet als verzoek.
Seinen die je alleen hoort, niet geeft
Grote schepen mogen seinen geven die kleine schepen niet gebruiken. Ze herkennen is nuttig, want ze vertellen je precies wat er gaat gebeuren:
- lang + één kort — ik ga over stuurboord keren;
- lang + twee kort — ik ga over bakboord keren;
- twee lang + één kort — ik wil je aan stuurboord voorbijlopen;
- twee lang + twee kort — ik wil je aan bakboord voorbijlopen;
- drie lange stoten — ik kom uit een nevenvaarwater of haven en steek het hoofdvaarwater over;
- kort – lang, minstens vijftien minuten herhaald — het blijf-weg-sein van een schip met gevaarlijke stoffen. Blijf zo ver mogelijk bovenwinds uit de buurt en waarschuw de autoriteiten.
Zie je een groot schip een sein geven, dan gaat tegelijk een helder geel rondom schijnend licht branden: het fluitlicht. Daarmee weet je wélk schip het sein gaf — handig als er meerdere in de buurt zijn.
Bij slecht zicht
Een schip dat niet op radar vaart, geeft bij slecht zicht als mistsein één lange stoot, herhaald met tussenpozen van hoogstens een minuut. Een klein schip is niet verplicht dat mistsein te geven, maar mag het wel. Lig je op een gevaarlijke plek niet gestrekt langs de kant, dan geef je je positie door over de marifoon zodra je een naderend schip hoort, of je geeft een reeks klokslagen. Meer daarover in varen bij slecht zicht.
Als je in nood bent en geen hoorn hebt
Zwaai rechtop staand met beide armen — langzaam en groot, want gewoon zwaaien wordt als groeten gelezen. Zwaai rond met een rode vlag, of 's nachts met een licht. Roep via de marifoon de schepen in de buurt en, op ruim water, de Kustwacht. Bel anders 112 of het Kustwachtcentrum. Ernstvuurwerk zoals rode vuurpijlen en rookpotten gebruik je alleen bij werkelijke nood.
Wat je verder doet als iemand overboord slaat, staat in man overboord. De seinen zijn te oefenen met geluid erbij in de cursus Klein Vaarbewijs 1; op het examen worden ze uitgeschreven als korte en lange stoten.
Onderwerpen
Verder lezen
- Voorrang op het water: wie moet wijken?De meeste voorrangsvragen los je op met drie regels in de goede volgorde. De fout die het vaakst gemaakt wordt: beginnen bij zeil versus motor.
- BPR of RPR: welk reglement geldt waar?Op vijf Nederlandse vaarwegen geldt een ander reglement. Het belangrijkste verschil in één zin: onder het RPR wijkt klein altijd voor groot.
- Varen bij mist en slecht zichtHet reglement noemt geen aantal meters. Slecht zicht is wat het is — mist, een sneeuwbui, hevige regen — en dan gelden er drie dingen tegelijk.
Aanloop
Deze stof zit in het examen
De cursus Klein Vaarbewijs 1 behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden.