Naar de inhoud

Opleiding voor 3 CBR-examens op het water

Engtes: de stroom beslist wie er als eerste door mag

Een engte is een versmalling waar je elkaar niet kunt passeren. Wie er als eerste door mag hangt aan één vraag: loopt er stroom of niet?

Redactie Vaarbewijsinstituut · Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen

Bijgewerkt 19 augustus 20263 min lezen

In een engte gelden andere regels dan op open vaarwater, en de scharnierende vraag is of er stroom loopt. Zonder stroom is het simpel: klein wijkt voor groot. Met stroom draait er iets om dat op het examen structureel fout wordt beantwoord: het schip dat tegen de stroom in vaart verleent voorrang, ook als dat het grote schip is.

Wat telt als engte?

Een versmalling waar twee schepen elkaar niet gelijktijdig kunnen passeren. Ook deze situaties vallen eronder:

  • een sluis of stuw die aan beide zijden boven het water uitsteekt;
  • een openstaande brug waar verkeer van twee kanten doorheen moet;
  • elke plek met het bord "ontmoeten en voorbijlopen verboden";
  • een doorvaart waar aan beide kanten twee groene lichten boven elkaar branden: die geven aan dat de engte onbewaakt is.

Zonder stroom

De hoofdregel blijft staan: klein wijkt voor groot. Wie de hindernis aan zijn kant heeft doet niet ter zake, een groot schip met een obstakel aan stuurboord houdt gewoon voorrang op een klein schip.

Tussen kleine motorschepen onderling geldt wél een eigen regel: wie de hindernis aan stuurboord heeft, verleent voorrang. In een versmalde bocht telt de binnenbocht als die hindernis, dus wie de binnenbocht aan stuurboord heeft wacht. Deze regel geldt alleen tussen kleine motorschepen onderling en tussen roeiboten onderling.

Komt er een klein zeilschip aan dat de engte bezeild heeft, er in één rechte lijn doorheen kan zonder te laveren, dan verleent een klein motorschip voorrang. Moet het zeilschip laveren, dan is het niet bezeild en wijkt het zelf.

Met stroom

De logica draait om, en er zit een goede reden achter: een schip dat tegen de stroom in vaart kan beter stoppen en manoeuvreren dan een schip dat met de stroom mee komt aanzetten. Daarom verleent het tegen stroom varende schip voorrang aan het vóór stroom varende schip, ongeacht de grootte.

Dit is een BPR-regel. In RPR-gebied (Waal, Boven-Rijn, Neder-Rijn, Lek, Pannerdensch Kanaal) geldt hij niet; daar wijkt klein altijd voor groot, ook met de stroom mee. Zie BPR of RPR.

Een detail waar op examenafbeeldingen punten mee te winnen zijn: een pijl met een slinger aan de achterkant geeft de stroomrichting aan, een pijl zonder slinger de wind. Dat onderscheid bepaalt het hele antwoord.

Voorbijlopen

De oploper gaat in beginsel aan bakboord van de opgelopene voorbij; is er ruimte, dan mag het ook aan stuurboord. De verantwoordelijkheid ligt volledig bij de oploper: hij mag pas beginnen als hij zeker weet dat het zonder gevaar kan, en het opgelopen schip hoeft geen ruimte te maken die het niet heeft.

Grote schepen kondigen het aan met geluid: twee lange plus twee korte stoten voor bakboord, twee lange plus één korte voor stuurboord. Hoor je dat, houd dan je koers voorspelbaar. Koers houden helpt meer dan behulpzaam uitwijken op het verkeerde moment.

Kleine zeilschepen onderling lopen bij voorkeur aan loefzijde voorbij, de kant waar de wind vandaan komt. Kan dat niet en aan lij wel, dan mag dat onder het BPR. Onder het RPR is loefzijde verplicht.

Attentie geven waar je niet doorheen kijkt

Nader je een bocht of versmalling zonder zicht, geef dan één lange stoot. Daar is het attentiesein voor bedoeld, en het is een van de drie seinen die een klein schip moet kunnen geven; zie de geluidsseinen.

De volledige voorrangsvolgorde staat in voorrang op het water. Deze situaties oefen je met beeld in de opleiding Klein Vaarbewijs 1.

Onderwerpen

Aanloop

Deze stof zit in het examen

De opleiding behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden. Twaalf maanden toegang, eenmalig te betalen.