Voorrang op het water: wie moet wijken?
De meeste voorrangsvragen los je op met drie regels in de goede volgorde. De fout die het vaakst gemaakt wordt: beginnen bij zeil versus motor.
Laurens Leeuwenberg · Docent Klein Vaarbewijs, oprichter Vaarbewijsinstituut
Bijgewerkt 4 augustus 20263 min lezen
Kort antwoord: loop de regels in volgorde af. Ben je klein en is de ander groot, dan wijk je. Volgt een van beiden de stuurboordwal, dan heeft die voorrang. Pas als geen van beide geldt, komt zeil-voor-motor en op ruim water stuurboord-voor-bakboord in beeld.
Eerst: wat is klein en wat is groot?
Een klein schip is korter dan 20 meter, gemeten over de romp van steven tot steven — boegspriet en zwemplatform tellen niet mee. Vijf soorten schepen zijn altijd groot, ook onder de 20 meter:
- een passagiersschip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren (voert overdag een gele ruit als het korter is dan 20 meter);
- een veerpont die door de bevoegde autoriteit als veerpont is aangewezen;
- een schip dat op dat moment een groot schip sleept, duwt of langszij meevoert;
- een duwbak;
- een vissersschip dat met vistuig vaart.
Bij grote schepen wordt geen onderscheid gemaakt tussen zeil en motor. Een zeiljacht van 22 meter is gewoon een groot schip.
Regel 1 — klein wijkt voor groot
Dit is de regel die het vaakst van toepassing is en het minst vaak wordt betwist. Een klein schip verleent voorrang aan een groot schip. Ook een klein zeilschip wijkt voor een groot motorschip; zeil geeft geen voorrang ten opzichte van groot.
Wil een klein schip keren of vertrekken, dan mag het daarvoor medewerking vragen van een ánder klein schip, maar niet van een groot schip. Andersom mag een groot schip die medewerking wel van iedereen vragen.
Regel 2 — wie de stuurboordwal volgt, heeft voorrang
Naderen twee schepen elkaar op tegengestelde koersen, dan moet het schip dat níet de stuurboordzijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het schip dat dat wel doet. Dat geldt ook in een betonde vaargeul: vaart een klein schip netjes in gestrekte koers langs de betonning aan zijn stuurboordzijde, dan moet een groot schip dat de geul wil binnenvaren voorrang verlenen.
Dit is de regel die het vaakst wordt weggegeven. Wie zomaar de binnenbocht neemt of los door de geul zwerft, is geen stuurboordwalvaarder meer en verspeelt zijn voorrang op datzelfde moment.
Regel 3 — klein motorschip wijkt voor klein zeilschip
Alleen als niemand de stuurboordwal volgt. Dan geldt: een klein motorschip verleent voorrang aan een klein zeilschip. Volgt het motorschip wél de stuurboordwal en laveert het zeilschip, dan draait het om — het motorschip kan immers niet verder naar stuurboord uitwijken.
Regel 4 — op ruim water: stuurboord gaat voor
Kruisen de koersen van twee kleine motorschepen die geen van beide een wal volgen, dan verleent het schip dat van bakboord nadert voorrang aan het schip dat van stuurboord nadert. In gewone taal: wie van rechts komt, gaat voor. Dat geldt ook voor roeiboten onderling en voor grote schepen onderling.
Komen twee kleine motorschepen recht op elkaar af zonder dat iemand de stuurboordwal volgt, dan wijken ze allebei naar stuurboord en passeren ze elkaar bakboord op bakboord.
De uitzonderingen die op het examen terugkomen
Veerponten. Een veerpont is altijd groot. Een klein schip verleent voorrang aan een vertrekkende, kerende of overstekende veerpont.
Het hoofdvaarwater. Kom je uit een haven of nevenvaarwater, dan mag je pas het hoofdvaarwater op als dat zonder gevaar kan. Staat er een B.9-teken, dan moet elk schip — groot of klein — voorrang verlenen aan het verkeer op het hoofdvaarwater.
Het blauwe bord. Toont een tegemoetkomend groot schip een blauw bord met een wit flikkerlicht, dan wil het stuurboord op stuurboord passeren. Kijk goed achterom en ga bij voorkeur ook naar die kant. Zie de tekens op het water.
Engtes. Daar geldt een eigen volgorde, met stroom als beslissende factor: zie engtes, oplopen en voorbijlopen.
Voorrang is geen recht
Ook als je voorrang hebt, blijf je verplicht een aanvaring te voorkomen. Een beroepsschip van 110 meter stopt niet binnen 300 meter, en een schipper die daar formeel gelijk tegenover zet, heeft dat gelijk kort. Zie het als: de regels bepalen wie zich aanpast, goed zeemanschap bepaalt wat je doet als de ander dat niet doet.
Deze stof is het zwaarste onderdeel van het examen. In de cursus Klein Vaarbewijs 1 oefen je de situaties met beelden erbij; de gratis proefles laat zien hoe de vragen zijn opgebouwd.
Onderwerpen
Verder lezen
- BPR of RPR: welk reglement geldt waar?Op vijf Nederlandse vaarwegen geldt een ander reglement. Het belangrijkste verschil in één zin: onder het RPR wijkt klein altijd voor groot.
- De geluidsseinen die je echt moet kennenEen geluidssein geef je niet uit beleefdheid maar om een aanvaring te voorkomen. Voor een klein schip zijn er drie die je echt moet kunnen geven.
- Varen bij mist en slecht zichtHet reglement noemt geen aantal meters. Slecht zicht is wat het is — mist, een sneeuwbui, hevige regen — en dan gelden er drie dingen tegelijk.
Aanloop
Deze stof zit in het examen
De cursus Klein Vaarbewijs 1 behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden.