De waterkaart: D196 is negentien meter, niet honderdzesennegentig
Eenheden zijn op een waterkaart geen detail. Wie decimeters voor meters aanziet, rekent bij het ankeren met een factor tien mis.
Redactie Vaarbewijsinstituut · Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen
Bijgewerkt 19 augustus 20263 min lezen
Op een waterkaart staan drie soorten getallen die makkelijk door elkaar lopen: diepte in decimeters, hoogte ten opzichte van NAP, en de actuele doorvaarthoogte die je niet van de kaart leest maar ter plekke van een schaal. Wie die drie uit elkaar houdt, kan een route vooraf beoordelen.
Diepte staat in decimeters
Een dieptecijfer als D196 betekent 196 decimeter, dus 19,6 meter. Reken je dat verkeerd om, dan sla je bij het ankeren de plank volledig mis: met de vuistregel van drie- tot vijfmaal de waterdiepte aan lijn zou je daar tot honderd meter lijn nodig hebben. Zie ankeren.
Diepte is bovendien geen vaststaand gegeven. Op rivieren en getijdenwater verandert hij met de afvoer en het getij; in plassen en havens door aanslibbing. De kaart geeft een referentie, geen garantie.
NAP
Hoogtes en waterstanden worden in Nederland gerekend ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil. "NAP −0,40 m" betekent veertig centimeter onder dat referentievlak. Voor jou telt vooral de richting van de verandering: zakt het peil, dan wordt het water onder je kiel ondieper én de ruimte onder een vaste brug groter.
Doorvaarthoogte lees je bij de brug, niet op de kaart
Bij steeds meer bruggen staat een hoogteschaal: meters in afwisselend gele en zwarte blokken, onderverdeeld in stukken van vijftig en tien centimeter. Daarop lees je tot op tien centimeter nauwkeurig af hoeveel ruimte er nú is.
De leesregel is beslissend: zolang het volgende cijfer niet volledig zichtbaar is, heb je dat aantal meter nog niet. Zie je de negen nog niet helemaal, dan is de doorvaarthoogte iets minder dan negen meter. Hoogteschalen staan vaak een eind vóór de brug, zodat je op tijd kunt besluiten of je wacht op opening.
Zet die waarde af tegen je kruiphoogte: de hoogte van je schip vanaf de waterlijn tot het hoogste vaste punt: antenne, radarbeugel, mastlantaarn. Ken dat getal uit je hoofd; het is het enige waarmee je onder tijdsdruk kunt rekenen.
De borden bij een brug
- Een blauw bord met een witte pijl geeft de aanbevolen doorvaart aan.
- Een bord met het woord "sport" wijst de opening aan die voor kleine schepen bedoeld is.
- Een groen-wit teken beveelt aan aan de groene kant ervan te varen: bijvoorbeeld om je uit de buurt van een pijler te houden, waar de doorvaartopening steeds lager wordt.
- Eén rood licht betekent dat de beweegbare brug bediend wordt en dat je nog moet wachten.
Wat de kaart verder prijsgeeft
De legenda bevat meer dan diepte en hoogte: ligplaatsen en aanlegplaatsen, sluizen (getekend met twee weerhaakjes, met het hoge en lage hoofd te onderscheiden), lichtkarakters van tonnen en bakens, stroomrichtingen en de begrenzing van vaargeulen. In de Wateralmanak deel 2 staat de rest: bedieningstijden, maximumsnelheden per vaarwater en hoe lang je op een aanlegplaats mag blijven liggen.
De controle vóór vertrek
- Ken je diepgang en je kruiphoogte, allebei in centimeters.
- Zoek de laagste vaste brug en de ondiepste plek op je route op.
- Kijk wat het waterpeil doet: stijgend of dalend, en met hoeveel.
- Zoek de bedieningstijden van bruggen en sluizen onderweg op; buiten die tijden ligt je route stil.
Wat te hard varen in ondiep water met je boot doet, staat in zuiging. Deze stof valt onder vaarwegen en meteorologie, goed voor ongeveer zestien van de tachtig punten, zie de opleiding Klein Vaarbewijs 1.
Onderwerpen
Begin hier
Nog niet zeker van de basis? Lees eerst de schaal van Beaufort in de praktijk.
Verder lezen
- Lozen: de tank is niet verplicht, het lozen is verbodenToiletwater overboord mag niet. Een vuilwatertank inbouwen hoeft niet. Dat verschil verklaart vrijwel alle verwarring over deze regel.
- Windkracht schatten zonder meter: het water laat het zienJe hebt geen meetinstrument nodig om windkracht te schatten. Maar dezelfde windkracht 5 is op een kanaal iets heel anders dan op het IJsselmeer.
- Zuiging: het roer wordt slap en het achterschip loopt naar de kantTwee klachten, één oorzaak: de boot luistert niet meer en het achterschip trekt naar de wal. En één oplossing die tegen je gevoel in gaat, gas terug.
Aanloop
Deze stof zit in het examen
De opleiding behandelt precies wat het CBR toetst: negen lessen, 2.506 oefenvragen en 29 proefexamens onder examenomstandigheden. Twaalf maanden toegang, eenmalig te betalen.