# Rood of groen: de betonning is bedacht vanuit iemand die vanaf zee komt

> Het hele stelsel gaat uit van één persoon: iemand die vanaf zee ons land binnenvaart en de weg niet kent. Wie die richting kent, weet altijd waar hij zitten moet.

Bron: https://www.vaarbewijsinstituut.nl/kennisbank/laterale-betonning
Auteur: Redactie Vaarbewijsinstituut — Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen
Gepubliceerd: 2026-08-11
Bijgewerkt: 2026-08-19
Uitgever: Vaarbewijsinstituut (KvK 77593944)
Onderwerpen: Betonning en tekens

---
De betonning is ontworpen voor iemand die vanaf zee ons land binnenkomt en hier nog nooit is geweest. Die persoon hoeft maar één ding te weten: groen zit aan stuurboord, rood aan bakboord, precies zoals zijn eigen boordlichten. Kleur op kleur varen dus. Vaar je naar zee toe, dan is het omgekeerd.

Ook de nummering volgt die richting: die begint bij zee en loopt landinwaarts op, met oneven nummers op de groene tonnen en even nummers op de rode.

## Vorm zegt hetzelfde als kleur

- **Groen** is spits (een kegel. Heeft de ton een topteken, dan is dat een groene kegel.
- **Rood** is stomp) een cilinder, met een rode cilinder als topteken.

Die dubbeling is opzettelijk: bij tegenlicht, in de schemering of bij kleurenblindheid blijft de vorm leesbaar als de kleur dat niet is.

Zie je een smalle, hoge markering, dan is dat een sparboei. Die worden gelegd waar stroom of ijsgang speelt: de stroom trekt hem minder snel onder water en ijs glijdt eraf. Vervangt hij een stompe ton, dan is hij cilindervormig; vervangt hij een spitse, dan loopt hij spits toe.

## Eén ton, geen tweede

Tonnen worden zo spaarzaam mogelijk gelegd, en vaak zie je er maar één. De vraag is dan niet waar de geul ligt maar aan welke kant deze ton hoort. Bepaal daarvoor eerst je richting ten opzichte van zee: landinwaarts houd je groen aan stuurboord, zeewaarts aan bakboord.

## Op de rivier: linkeroever en rechteroever

Hier zit de klassieke verwarring. De oevers worden benoemd vanaf de bron gezien, richting zee, precies tegengesteld aan de betonningsrichting. Kom je vanaf zee, dan heb je de *linkeroever* aan stuurboord en de *rechteroever* aan bakboord. Vaar je met de stroom mee, dan klopt het intuïtieve beeld wel.

Het voordeel van die afspraak is dat er maar één linker- en één rechteroever bestaat, ongeacht wie waarheen vaart. In marifoonverkeer kan daar dus geen misverstand over ontstaan, en dat is precies waarvoor het bedacht is.

## Kribbakens en de neer erachter

Op rivieren liggen kribben: dammen dwars op de stroom die de hoofdstroom in het midden houden zodat er meer diep water is. Aan het uiteinde staat meestal een kribbaken: op de linkeroever een groene driehoek met de punt omhoog, op de rechteroever een rood baken met de punt omlaag. Kribbakens zijn niet genummerd; drijvende markering wel.

Blijf bij kribben uit de buurt. Tussen twee kribben ontstaat een **neer**: een tegenstroom die langs de oever terugloopt en vervolgens weer door de hoofdstroom wordt aangezogen. Dat trekt merkbaar aan je boot, en het gebeurt precies op het moment dat je denkt rustig langs de kant te varen.

## Twee stelsels in Nederland

Binnen de zeedijken geldt SIGNI, het binnenvaartsysteem. Buiten de zeedijken geldt IALA-A: Waddenzee, Westerschelde, Eems en Dollard. In de praktijk verandert er weinig, de kleuren blijven wat ze zijn, maar het onderscheid komt op het examen terug.

## Bij elke ton hoort een licht

's Nachts herken je markering aan haar lichtkarakter: isofase (even lang aan als uit), schitterlicht (kort aan, lang uit) en onderbroken licht (lang aan, kort uit). Op de kaart staat de periode erachter, bijvoorbeeld Iso.4s of Fl.6s. Daardoor weet je niet alleen dát er een ton ligt, maar ook welke.

Markering rond gevaren werkt anders: zie [cardinale betonning](/kennisbank/cardinale-betonning). De borden langs de kant staan in [verkeerstekens op het water](/kennisbank/verkeerstekens-op-het-water). De hele betonning komt met beeldvragen terug in les 6 van de [opleiding Klein Vaarbewijs 1](/klein-vaarbewijs-1).
