# Ankeren: het houdt door de hoek, niet door het gewicht

> Een anker houdt doordat de trek horizontaal is. Daarom is de lengte van je lijn belangrijker dan het gewicht van je anker, en dat is contra-intuïtief.

Bron: https://www.vaarbewijsinstituut.nl/kennisbank/ankeren
Auteur: Redactie Vaarbewijsinstituut — Per bewering nagelopen tegen BPR, RPR en de CBR-exameneisen
Gepubliceerd: 2026-08-11
Bijgewerkt: 2026-08-19
Uitgever: Vaarbewijsinstituut (KvK 77593944)
Onderwerpen: Veiligheid aan boord, Manoeuvreren en techniek

---
Een anker graaft zich met zijn grijpers in de bodem, en dat lukt alleen als de trek horizontaal is. Te weinig lijn betekent een schuine trek: het anker komt omhoog, sleept over de bodem en laat een krabbenspoor achter. De oplossing voor een krabbend anker is dan ook altijd dezelfde: méér lijn steken, niet een zwaarder anker kopen.

Verzwaar het laatste stuk met een kettingvoorloop of gebruik lijn met een loodkern; dat houdt het anker plat op de bodem. Volledig ketting is het beste, maar kan je boeg beschadigen.

## De handeling

1. Maak het anker klaar op het voorschip en ga **tegen** wind of stroom in liggen.
2. Zorg dat je vanuit stilstand langzaam achteruit drijft *ten opzichte van de bodem*. Naar het water kijken helpt niet: met stroom en wind kun je denken dat je achteruitgaat terwijl je over je eigen anker heen drijft.
3. Kun je de bodem niet zien, in Nederland vrijwel altijd, doe dan een ankerpeiling: neem dwars van het schip twee vaste punten aan de wal, bijvoorbeeld een ton en een toren, en kijk of ze ten opzichte van elkaar verschuiven.
4. Vier het anker geleidelijk en onder spanning tot het horizontaal op de bodem ligt. Gooi het nooit met een zwaai overboord: de lijn kan om het anker heen slaan en dan werkt het niet meer.
5. Steek voldoende lijn: driemaal de diepte normaal, vijfmaal bij wind of stroom. De diepte lees je van de kaart.
6. Controleer opnieuw met de peiling. Blijven de twee punten in elkaars verlengde, dan lig je stil.

## De ankerplaats

Zoek de luwte: een oppertje, aan de kant waar de wind vandaan komt. Ga niet aan lagerwal liggen, de kant waar de wind naartoe waait: daar loopt golfslag, en het op en neer gaan van de boeg kan het anker lostrekken.

Let op de diepte. Staat er op de kaart D196, dan is dat 196 decimeter, bijna twintig meter. Met de vuistregel van vijfmaal heb je daar honderd meter lijn nodig, en dat is voor de meeste pleziervaartuigen geen bruikbare plek.

En houd afstand. Je schip draait om zijn anker zodra de wind draait. Ga voor lange tijd alleen ergens liggen waar je bij álle windrichtingen vrij kunt zwaaien: teken in gedachten een cirkel rond het anker en kijk wat daarin valt. Een krimpende wind heeft menig schip 's nachts in de vaargeul of tegen de kant gelegd.

## Gieren

Bij harde wind kan een schip aan het anker heen en weer zwaaien. Een tweede anker onder ongeveer vijfenveertig graden ten opzichte van het eerste haalt die beweging eruit.

## Regels

- Ankeren mag niet waar het verbodsteken staat, en niet binnen de afstand die op een bord in meters staat aangegeven.
- Vormt je anker een gevaar voor de scheepvaart, dan hoort er een lijn met een gele boei aan. Knoop die aan het kruis van het anker: dan kun je hem er later mee lostrekken als hij vastzit.
- 's Nachts voer je geen navigatielichten meer maar één rondom schijnend wit ankerlicht; zie [welke lichten je voert](/kennisbank/navigatieverlichting-klein-schip).
- Op een tijdelijke lig- of aanlegplaats geldt een maximale ligduur, vaak driemaal vierentwintig uur, en je mag je boot daar niet onbemand achterlaten.

## Ook als je nooit ankert

Neem een anker mee. Bij motorpech in stroming, vlak voor een brugpijler of een oever, is het anker het enige wat je nog kunt uitgooien, en dan is het geen comfortartikel maar een rem. Wat er verder aan boord hoort staat in [wat er aan boord moet liggen](/kennisbank/wat-moet-er-aan-boord-liggen). Ankerpeiling, lijnlengte en ankerplaats komen als examenvragen terug in les 9 van de [opleiding Klein Vaarbewijs 1](/klein-vaarbewijs-1).
